Imitatie en mimicry

Imitatie is een complex, geavanceerd gedrag, en is duidelijk verschillend van nabootsen (mimicry), dat in het algemeen wordt gezien als gedachteloze herhaling. Imitatie begrijpt immers de bedoeling van het gekopieerde gedrag.
Bijvoorbeeld: als de ene mens van de andere ziet “oh zo, maak je vuur!” en gaat het meteen ook proberen (dat is imitatie) – tegenover gewoon doorheen dezelfde vuurmaak-bewegingen met toevallig hetzelfde effect (dat is mimicry). Het is meteen duidelijk dat het antwoord of paarden mimicry (waarschijnlijk wel) dan wel imitatie (waarschijnlijk niet) aankunnen niet te geven is zolang we niet exact weten hoever het staat met hun cognitieve intelligentie (theory of mind, zie boek Denkwerk).

Mimicry is eigenlijk een term die vaak verkeerd wordt gebruikt – eigenlijk vind je mimicry voornamelijk als biologische term terug (opzettelijke camouflage om op de omgeving te lijken, bvb kameleons, vlinders die op een boomblad lijken enz.). Maar, “to mimic” betekent, letterlijk, eigenlijk gewoon “nabootsen”.
In dierentraining (cf Ken Ramirez) wordt ‘mimicry’ gebruikt om aan te duiden dat het ene dier bewust leert door een ander dier te observeren dat een bepaalde oefening al kent (we kregen overigens een heel specifiek trainingsplan mee (ik volgde dit stukje zowel in Munchen als op de ClickerExpo).

En daarmee komen we bij de overkoepelende term: observationeel leren.
Observeren dus, niet gewoon “kijken”, want het kan natuurlijk ook luisteren zijn, om maar wat te zeggen.

Observationeel leren is geen evident gedrag (wie de cursus trainingspsychologie heeft gevolgd weet wat er allemaal bij komt kijken; ik verwijs naar het stukje theory of mind en de consequenties). Observationeel leren heeft een aantal punten nodig die we daar ook tegenkwamen:

1. het dier moet aandacht kunnen hebben voor het voorbeeld. Dat wil dus zeggen dat het makkelijker gaat onder soortgenoten, want daar ben je natuurlijk vooral voor ‘voorgeprogrammeerd’. Niet elke diersoort toont aandacht voor een andere diersoort: de kans dat een mier let op wat een vis doet en daar relevante informatie aan vastknoopt is uiteraard wat lager dan wanneer een mensenkind naar z’n ouders kijkt.
2. Onthouden: je moet een mentale representatie (een “innerlijk beeld”) kunnen maken én bijhouden
3. Motorisch reproduceren: wat je in je geheugen hebt opgeslagen ook kunnen omzetten naar gedrag (dat wil niet zeggen dat je het ook effectief gaat doen, alleen maar dat je in staat moet zijn, zie verderop).
Héle moeilijke stap! Zeker voor paarden die hun lichaam niet bewust hebben leren gebruiken. De meeste paarden hebben geen idee hoe ze bewust hun linker-achtervoet zouden moeten opheffen, laat staan dat ze eigenlijk weten waar hij is – dat is waarom het targetten van bodyparts zo interessant is, en een belangrijke voorbereiding als je echt met bewust observationeel leren aan de slag wil gaan.
4. Motivatie en de kans om het te doen! Er moet een réden zijn waarom je iets wil nadoen – zoniet is het geen bewuste nabootsing. Dat maakt dat er een belangrijke connectie is met zowel klassieke als operante conditionering.

Wat is dan imitatie?
Een vaak gehanteerde definitie van imitatie is: het doelbewust kopieren van een actie die nieuw is voor de observator.
Als een dier net hetzelfde doet als een andere soortgenoot, dan betekent dat dus niet noodzakelijk dat het om imitatie gaat. Observationeel leren is pas imitatie als het om een “nieuw” gedrag gaat, iets dat niet “instinctief” voor de hand ligt.

Bij sociale facilitatie zien we ook dat het ene dier hetzelfde gaat doen als het andere, maar het is geen observationeel leren en ook geen imitatie. Het heeft rechtstreeks te maken met het feit van in een groep te leven, en het gevoel van veiligheid daarbij. En het gaat om instinctief gedrag. Als een paard begint te grazen (en zeker als het de leider van de groep is) is de kans dat de andere paarden ook beginnen te grazen veel groter.
Besmettelijk gedrag (contagious behaviour) is gelijkaardig, en wordt meestal geillustreerd aan de hand van vluchtgedrag: als de anderen vluchten, dan vlucht ik ook. Ook hier wordt een instinctief gedrag getriggerd.

Het is uiteraard wél zo dat als een dier genetisch geprogrammeerd is om gevoelig te zijn voor sociale facilitatie en besmettelijk gedrag, dat de voorwaarden voor observationeel leren sterker zijn; bijvoorbeeld jonge katjes die van hun moeder leren jagen, jonge vogels die leren vliegen. Maar dat is dus geen imitatie!

In het geval van observationeel leren wordt er een consequentie gekoppeld aan het nagebootste gedrag, al is het maar dat je leert wat je NIET (meer) wil doen. Of je kan bij wat je observeert (iemand die zonder parachute uit een vliegtuig springt) meteen besluiten dat je het niet eens wil nabootsen: in zo’n geval is er wel observationeel leren, maar geen imitatie.
Je kan ook iets imiteren zonder het werkelijk te léren: je doet wel mee met het voorbeeldgedrag, maar je kan het daarna niet reproduceren.