Van grondwerk naar rijden

SW schreef:
Het begint al met het volgende: ik heb met haar dus nooit grondwerk of iets dergelijks gedaan. Ze was vroeger door iemand anders goed ingereden op klassieke manier. Het is een heel sterke merrie en dan is het probleem inderdaad dat ik haar gewoon niet kan houden. Ik zal het zo zeggen: zij loopt met mij rond ipv ik met haar.

Ik heb andere maatstaven voor “goed ingereden op klassieke manier” denk ik – dat zou bij mij betekenen dat een paard zichzelf draagt en met de ruiter samenwerkt. Een paard dat gaat rennen is niet goed opgeleid :-). Omdat ook dat andere paard gaat rennen met jou denk ik dat het niet helemaal aan het bit ligt, maar eerder aan de manier waarop jou is geleerd dat je met teugels om moet gaan.
Rijden en grondwerk hoeven niet meer verschillend te zijn dan dat je zelf op een andere plaats staat dan voorheen (voor jou dan – je paard kan in het begin alleen maar denken aan dat alomtegenwoordige en uit z’n natuurlijk evenwicht brengende gewicht van een ruiter). Grondwerk is niet het afhaspelen van een paar goedogende grondspelletjes. Grondwerk is in de eerste plaats bedoeld om JOU een betere trainer te maken, die de principes op een rijtje heeft, die weet wat hij doet en waarom hij het doet. Als de trainingsprincipes op de grond duidelijk worden, dan zijn ze ook duidelijk van in het zadel.
Grondwerk creëert – vanuit het goede gevoel dat een training met veel belonen geeft – ook die zo noodzakelijke goodwill-bankrekening waardoor je rijhulpen niet meer van hun aversiviteit moeten afhangen om te werken, maar tactiele cues kunnen zijn.

Lichaamstaal van op een afstand is nochtans iets héél anders dan een veranderend gewicht op je rug en daar proberen uit wijs te kunnen. Je kan niet verwachten dat je opstapt op je paard en dat je paard als bij goddelijke ingeving deze heel andere taal begrijpt.

Wat je wél kan doen, is alles wat je met je teugels gaat doen voorbereiden met je leidtouw, en alles wat je met benen of zit gaat doen voorbereiden met een “voorwaarts-cue” – een signaal (of je nu een carrotstick heft of een longeerzweep of het einde van een touw of je stem of je hand maakt niks uit, als je het maar met positieve bekrachtiging aanleert en nooit straft als je paard het niet doet). Eerst het ene, dan het andere, dan de combinatie. Zodat je paard wéét dat als je “drijft” (en dat staat niet voor niks tussen haakjes, want zoals ‘drijven’ meestal begrepen wordt, dat vind ik niet zo vriendelijk), zodra je je cue geeft, dat hij daar onmiddellijk en héél simpel op moet reageren: voorwaarts = voorwaarts. Richting, tempo, duur is van geen enkel belang, daar zijn andere signalen voor en dat komt wel. En als je je hand op het touw legt (later op je teugel) dat je paard onmiddellijk reageert met “ok, hier ben ik, waar gaan we naartoe” – naar boven, beneden, links, rechts, achteruit, dat maakt niet uit – daar dient de combinatie met die andere hulpen voor.

Ik kan je overigens aanraden om het eerst eens met een andere méns te proberen, elk om beurt – iets wat ik wel doe bij lessen of clinics. Zo ondervind je zélf hoe weinig je nodig hebt, hoe duidelijk het moet zijn, en hoe snel iets ‘te veel’ is, of te verwarrend.

In het zadel is de lengte van de teugels van geen enkel belang – dat wordt later wel bepaald, als je na je basistraining een bepaalde discipline kiest waarbij bepaalde verwachtingen die je hebt samenhangen met de manier waarop je paard zichzelf in meerdere of mindere mate en/of op een bepaalde manier moet dragen.