Je krijgt wat je beloont

Enkele vaak voorkomende misverstanden tussen paard en mens – gebaseerd op waar gebeurde situaties (namen zijn veranderd). Deze pagina hoort bij het boek ‘Grondwerk met Paarden, pag. 11).

1. Atoma is een sloom paard geworden. Johan moet elke pas aandrijven om Atoma in een sukkeldrafje te houden. Toen hij haar kocht, deed ze alles. De dierenarts kan niets vinden.

Johan is niet blij met Atoma, maar Atoma is duidelijk ook niet blij met Johan. Er zijn verschillende redenen waarom een situatie als deze zou kunnen ontstaan.
Het eerste wat je doet, is iets lichamelijks uitsluiten.
– de dierenarts kan niets vinden, maar misschien kijkt hij wel op de verkeerde plaats. Vraag expliciet naar bijvoorbeeld haken op de tanden, en om de spieren in de rug na te kijken – het helpt als je dierenarts een bijkomende opleiding ostheopathie of iets dergelijks heeft gevolgd. – Het kan ook een mineralentekort zijn dat geleidelijk is ontstaan. Daarvoor is bloedonderzoek nodig.
– Misschien voldoet de voeding niet, en heeft Atoma gewoon energie-tekort. Of, wat ook vaak gebeurt: Atoma krijgt industrieel voer met teveel suikers in (melasse bvb), en krijgt dat bovendien te kort vóór het rijden. Suiker verstoort het bloedsuikergehalte met een hormonale correctie tot gevolg, daarom kost suiker energie.
– Misschien is er een probleem met de leefomstandigheden. Als Atoma 24/24u op stal staat en daarbuiten geen beweging krijgt, noch gezelschap, kan een paard in een depressie raken. Alles is te veel gevraagd, net zoals dat met mensen gaat.
– Misschien wordt Atoma slecht opgewarmd. Vanuit stilstand ineens hard moeten werken lukt niet met stramme spieren. Bovendien onthoudt Atoma het als ze zich een paar keer pijn heeft gedaan. Ze wil aan die pijn ontsnappen, en heeft geleerd dat zo weinig mogelijk doen de minste pijn geeft.
– Past het zadel? Klemt het niet? Schuift het niet? Wipt het op en neer? Is de singel wel goed glad? Is het bit te groot? Te klein? Kantelt het in het zachte gehemelte of in de tong als Johan aan de teugels trekt?
– Hoe goed is Johan als ruiter? Geeft hij wel z’n handen naar voren mee in een overgang, of krijgt Atoma telkens als ze een overgang maakt een ruk in de mond, waardoor ze niet graag in draf gaat, precies omdat die pijnlijke ruk gaat volgen?
– Hoe is het met Johan’s beenhulpen – trapt hij haar in de ribben (por jezelf eens hard in je ribben en ondervind eens hoeveel zin je dat geeft om voorwaarts te gaan)?
– Blijft Johan ‘benen geven’, ongeacht of Atoma voorwaarts gaat of niet? Zodat het benen geven achtergrondruis wordt, iets vervelends wat Atoma probeert te negeren? Bovendien is er geen duidelijke consequentie – het wordt niet beloond als ze voorwaarts gaat, maar er wordt ook niet duidelijk gezegd dat Atoma voorwaarts moet (waarna uiteraard prompt de beloning hoort te volgen wanneer ze voorwaarts gaat) – alleen het gezeur aan haar lijf blijft. Waarom zou Atoma moeite doen, als ze er niets voor terugkrijgt?
je krijgt wat je beloont: als je niks beloont, krijg je dus niks.

2. Het is bijna voertijd op de manège. De hel barst los: alle paarden hinniken, springen, bokken, trappen. De rust keert pas weer als het laatste paard z’n eten heeft gehad.

Ook hier geldt: je krijgt wat je beloont.
Op een manège is er een vaste routine. Om half 5 komt de staljongen, en die loopt steeds op dezelfde manier naar het voerhok om de voederwagen te halen. Dan loopt hij z’n vaste routine langs de stallen, omdat dat nu eenmaal het meest efficiënte is. Paarden zijn meesters in het oppikken van routines – ze hebben een ijzersterk geheugen, met een voorkeur voor vaste patronen. Het moment dat de staljongen aan z’n routine begint, brengt bij de paarden een hele fysiologische verandering op gang die dan wel aangeleerd is, maar die ze zelf niet meer onder controle hebben (tenzij het expliciet weer wordt “afgeleerd”).
En paarden eten graag, uiteraard. In de natuur eten ze 16/24u – daar zijn ze voor gebouwd. Op een manège is het ruwvoer al lang op, en ze hebben allemaal honger – en paarden eten nu eenmaal graag het gezoete industriële voer. Ze vertonen dus ongeduldig gedrag, en hoe langer het voer wegblijft, hoe ongeduldiger ze worden. Bovendien is er zoiets als sociale facilitatie – paarden zijn kuddedieren, en emoties worden aan elkaar doorgegeven. Ze staan dus allemaal te springen, en dan komt het voer – ze worden dus effectief beloond voor dit gedrag. Paarden leren dat als ze maar lang genoeg dit gedrag volhouden, dat het voer dan komt – en ze hebben nog gelijk ook. De manège traint dus als het ware zélf de paarden om zich zo te gedragen.

3. Telkens als iemand in het gangpad komt, begint Dorito tegen de staldeur te trappen. Hoe hard er ook tegen hem geroepen wordt, het wordt alleen maar erger.

Dorito verveelt zich te pletter, en hij wil graag aandacht. Als er iemand in het gangpad komt, is hij daar blij mee – eindelijk iemand die hij kan ‘roepen’ om te komen – door te trappen. Dat er tegen hem geroepen wordt, zegt hem niks – hij weet alleen dat als hij tegen de staldeur trapt, er iemand komt. Oei! De mens die hem zojuist aandacht gaf, gaat weer weg! Opnieuw staldeur trappen, dus.

4. Melizza staat te weven. ze staat alleen in de stal, en om haar gezelschap te geven komt Vigo erbij. Vigo staat binnen twee weken ook te weven.

Weven is een stalondeugd – en het woord zegt het zelf al: een stal-ondeugd. Weven komt bij alle soorten zoogdieren voor die in gevangenschap, in een te kleine behuizing worden gehouden – de dieren raken gestressd (stresshormonen komen vrij), omdat ze gemaakt zijn om te bewegen, maar dat niet op een natuurlijke manier kunnen. Ze proberen toch aan beweging te komen, en ontdekken het wiegen (of ander repetitief bewegen). Dit wiegen veroorzaakt het vrijkomen van kalmerende hormonen, net zoals drugs bij mensen doen. Het dier geraakt werkelijk verslaafd aan deze interne drugs – je paard is een junkie geworden en erger nog: z’n eigen dealer.
Een paard dat een stalondeugd heeft ontwikkeld, geraakt haast nooit meer van deze verslaving af – zelfs op een wei zal je ze nog zien staan weven zodra er iets gebeurt waar ze stress van ondervinden; net zoals bvb menselijke alcoholisten altijd alcoholisten blijven.
Vigo heeft het weven niet ‘overgekregen’ van Melizza. Vigo is wel in dezelfde leefomstandigheden als Melizza terechtgekomen, kan evenmin met dit soort stress om, en heeft dezelfde uitweg gevonden als Melizza.

5. Fien is de tweejarige eerste pony van Ineke en haar dochter. Het begon met nippen, en Ineke en haar dochter duwden Fien’s hoofd weg. Toen begon Fien af en toe wat huid mee te hebben; Ineke en haar dochter gaven haar dan wel eens een klap. Fien bijt nu.

Waarom Fien ooit de behoefte had om te nippen, kunnen we niet meer achterhalen. Wat het ook was, het betekende dat Fien een einde aan de situatie wou maken zoals ze toen was – missschien was ze bang, misschien wou ze aandacht, misschien was ze jaloers dat het andere paard een wortel kreeg en zij niet. In elk geval gebeurde er bij het nippen dat wat Fien wou hebben: ze kreeg aandacht/de situatie waar ze bang voor was hield (even) op/ze kreeg ook een wortel. Ze kreeg ook wel een mep, maar die was niet zo erg in vergelijking met wat ze wél kreeg.
Daar heeft Fien dus van geleerd; volgende keer, in gelijkaardige omstandigheden ging ze dus nét wat sneller nippen. En omdat ze toen wéér een mep kreeg, dacht ze: volgende keer wat sneller weg zijn met mijn hoofd. Zo kreeg Fien niet alleen wat ze wou, maar bovendien leerde ze die ene vervelende consequentie ook nog eens voorkomen. En het werkte ook in andere omstandigheden. Heel belonend dus!
Voor Ineke kwam die eerste nip als een verrassing; ze had helemaal niet zo op Fien gelet, en dat Fien haar iets wou vertellen had ze niet eens door. Maar dat nippen voelde ze wel; maar het was niet echt erg, en ze zag Fien toch graag, dus gaf ze maar een tik. Waarop Fien haar hoofd afwendde, dus het hielp blijkbaar wel. Meppen was dus ook belonend voor Ineke.
En zo houden Fien en Ineke dus met verenigde krachten een vervelend gedrag in stand.

6. Pietra komt te dicht onder de hindernis, en gaat voluit in de remmen. Ben valt eraf. Ben gaat opnieuw naar de hindernis, rijdt eerst naar een lage hindernis op Pietra te helpen, en spoort haar met de zweep aan om zeker te zijn dat Pietra er deze keer toch over gaat. het lukt, Pietra springt. De volgende hindernis weigert pietra. Binnen drie weken weigert Pietra elke hindernis.

Om de een of andere reden is die ene hindernis geen fijne herinnering voor Pietra. Ze kan er niet over, remt en eindigt in de hinernis, met Ben op de grond. Daar is ze zelf heel erg van geschrokken; misschien heeft ze zich wel pijn gedaan. De volgende keer moet ze niet alleen wéér naar een hindernis, nu krijgt ze nog van een ongelukkig getimede zweep ook – “zie je wel”, denkt Pietra, “hindernissen doen pijn”. Ben, nu helemaal gespannen, gebruikt volgende keer net wat vroeger en harder de zweep. Pietra denkt – ik wil niet meer in de buurt van zo’n hindernis, al wat er gebeurt is pijn en zweepslagen. Ze wordt te bang om zelfs nog maar in de bùùrt van zo’n hindernis te komen, en het fysieke geweld dat ze daarvoor ondergaat maakt dat alleen maar erger.
Ben is zelf deze neerwaartse spiraal begonnen, en waarschijnlijk kruipen er achteraf nog een heleboel anderen op Pietra om haar “te laten zien wie hier eigenlijk de baas is”.

7. Tompouce springt opzij weg van de hoefslag af, Sanne valt eraf. Haar moeder is erg geschrokken maar kan Tompouce, die naar de andere kant van de rijbaan is gelopen, na heel wat heen en weer rennen eindelijk vangen. Ze straft Tompouce omdat het tenslotte zijn schuld was dat Sanne eraf viel. Sanne gaat er terug op, en Tompouce gedraagt zich verder voorbeeldig. De weken daarna laat Tompouce zich niet meer vangen op de wei.

Wiens “schuld” het was dat Sanne van Tompouce is gevallen is totaal irrelevant bij wat erna gebeurd is. Tompouce is zelf erg geschrokken, en deed dus wat een paard nu eenmaal doet als hij schrikt: wegrennen. En dan staat hij een beetje te bekomen van de schrik, terwijl men aan de andere kant van de rijbaan bezig is met Sanne. En dan komt Sanne’s moeder naar hem toe, en begint op hem te slaan en tegen hem te roepen. In Tompouce’s paardenverstand is er totààl geen verband meer met de val van Sanne en het geweld dat hij plotseling ondergaat; bovendien is zijn adrenaline-niveau nog zo hoog dat al wat er nu gebeurt grote indruk op hem maakt. Van schuld en boete achteraf heeft hij al helemààl geen besef. Tompouce leert ervan dat je maar beter niet in de buurt van Sanne’s moeder kan komen, en in de wei kan hij gelukkig makkelijk weg.

8. Dyesli kan niet goed in galop aanspringen. Tinne doet haar uiterste best en herhaalt het aanspringen steeds meer. Soms lukt het, maar eigenlijk gaat het steeds minder goed.

Tinne is waarschijnlijk niet zo’n hele goede ruiter. Galophulpen zijn eigenlijk heel erg gecompliceerde hulpen, niet alleen voor de ruiter, maar ook voor het paard: linkerhand doet iets anders dan rechterhand, linkerbeen iets anders dan rechterbeen, en daartussen zit een moeilijk stabiel te houden zit. Daar zit dus nogal wat gerommel en ruis tussen, zowel voor Tinne als voor Dyesli, die geen idee heeft wat Tinne eigenlijk wil.
En Tinne blijft dus gewoon herhalen – ze verandert niets. Zo blijven ze met z’n tweeën dus steeds hetzelfde herhalen, en Dyesli begint te denken dat dat het dan wel moet zijn. Steeds hetzelfde herhalen in de hoop dat het dan beter wordt, heeft geen zin. Als je niet krijgt wat je wil ondanks dat je blijft herhalen, is het tijd om je plan aan te passen. Om Einstein te citeren: waanzin is steeds hetzelfde herhalen en toch andere resultaten verwachten.
Zijn die galophulpen wel duidelijk? Is er niets anders dat Dyesli verhindert aan te springen? Trékt Tinne hem misschien in de mond zodra hij springt, omdat ze die sprong eigenlijk niet verwacht? Is de draf daarvoor misschien heel onrustig, zodat Dyesli niet anders kàn dan onrustig in galop gaan? En hoe gespannen is Tinne ondertussen geworden als het tijd is voor de galop – en Dyesli zelf?

9. Tisse is vier maanden oud, en verkocht aan een familie die het beste met hem voorheeft. weides, andere paarden om bij op te groeien. Omdat het halstertje te strak zit, zetten ze hem even in de stal. Tisse verweert zich, maar het lukt uiteindelijk, met veel moeite krijgen ze het halstertje uit. Ze gaan weg om hem tot rust te laten komen, en laten veel worteltjes bij hem achter. De dag erna kan niemand nog Tisse benaderen.

Dan ben je een makkelijk te beinvloeden veulen, en je kent alleen de wei, en het gezelschap van andere paarden. En dan ineens krijg je drie mensen die hem meenemen, wég van zijn vertrouwde paardengroep. En ze beginnen aan zijn hoofd te prutsen, dat toch al wat zeer doet; niet fijn, en hij wordt onrustig. Waarop de mensen hem vastgrijpen. Paniek bij Tisse – zijn grootste angst wordt bewaarheid: hij wil vluchten, maar kan niet weg. Eindelijk gaan de mensen wég, en alles is prompt beter: dat vervelende gezeur aan zijn hoofd is weg, en hij heeft een heleboel heerlijke wortelen. Tisse associeert mensen nu alleen nog maar met angst en pijn.

10. Helen heeft Ergo leren steigeren, dat vond ze wel leuk, en haar vriendinnen vonden het geweldig. Nu steigert Ergo de hele tijd, ook als ze het niet vraagt. Haar vriendinnen willen haar er niet meer bij als ze rijden.

Imposant he, zo’n paard dat steigert. En een beetje een statussymbool toch? – als je een paard kan leren liggen of steigeren lijk je wel een supertrainer. Goed voor je ego. Ergo is werd dus veel en vaak beloond, niet alleen door Helen, maar ook door haar vriendinnen. Steigerde hij, dan riep altijd iemand wel oh en ah en hoe geweldig hij was, en Helen gaf hem wortelen, knuffels en een goed gevoel. In het begin kreeg hij daar een wortel voor, maar na een tijd niet meer, of uiteindelijk toch, in de hoop dat hij nu eens zou ophouden, en dan gauw wat anders doen. Ergo gaat dus steeds meer en hoger steigeren, want op een keer komt het wel, die wortel, als hij maar z’n best doet. Hij heeft geleerd vol te houden.
Bovendien is steigeren een intrinsiek belonend gedrag voor paarden: het is spel- en imponeergedrag, en ook zonder beloning van buitenaf vinden paarden dit fijn (net zoals de Spaans pas).

11. Annelies heeft geen geluk met haar dressuurpony’s; de verkopers maken haar altijd wijs dat het brave pony’s zijn. Het lijkt in het begin altijd goed te gaan, maar naarmate Annelies meer van ze wil, gaat het steeds slechter. Ze zoekt nu voor de vierde keer een nieuwe pony.

De enige constante die er iets toe doet in dit verhaal is Annelies zelf. Zie ook de Einstein-quote bij Dyesli en Tinne.

12. Kat is een nieuwe manègepony, en erg lief. Ze laat zich door iedereen aanhalen en makkelijk opzadelen. Vier maanden later draait ze zich om als iemand in haar stal komt, dreigend te slaan. Zodra ze in de les is, werkt ze verder goed mee.

Kat is het slachtoffer van haar eigen populariteit. Omdat ze zo lief en makkelijk is, durven ook de wat onhandigere beginners bij haar komen tutten en prutsen. Algauw ondergaat ze onvoorzichtig aansingelen, een bit dat tegen haar tanden slaat, een hoofdstel waarbij haar oren pijnlijk gevouwen blijven. Bovendien is de stal de plaats waar ze niet moet werken, en de mensen die eraan komen de aankondiging van dat werken. Het is haar eigen ruimte. paarden die te weinig ruimte hebben, worden territoriaal.
Als in de les hetzelfde met haar gebeurt als bij het zadelen, dan zal Kat ook daar al gauw niet meer zo meegaand zijn.

13. Kris heeft alles gelezen over natuurlijk met paarden omgaan, en is vastbesloten het goed te doen met Pinnacle. Ze denkt heel erg na, doet haar uiterste best om de meest vriendelijke hulpen te geven, bouwt het grondwerk heel rustig op en houdt heel erg rekening met de gevoelens van Pinnacle. Desondanks wil Pinnacle niet blijven draven, niet in galop gaan, en loopt hij over haar heen. Haar vriendin zegt dat Pinnacle dominant is.

Natuurlijk omgaan met paarden betekent niet soft zijn. Het betekent duidelijk zijn, op een vriendelijke manier. Nogal wat mensen die op zoek zijn naar een paardvriendelijke manier van omgaan met paarden vergeten dat dat niet betekent dat wat je zelf wil moet ondergeschikt stellen aan wat het paard wil. Wat het paard wil is dat wat hem motiveert, en wat je dus kan gebruiken om hem te laten doen wat jij wil. Niet andersom.
Je paard graag zien betekent niet dat hij kan beslissen – net zoals dat met je kinderen gaat.
Duidelijke (maar kleine) doelen, duidelijke beloningen, een helder stappenplan. en de sky is the limit; train voor sneller, beter, hoger.
O ja: dat betekent ook niet dat het paard baat heeft bij een goeie mep als hij niet doet wat je wil. Je weet wel beter dan dat, ondertussen :).
Met dominantie heeft dit gedrag overigens maar zijdelings te maken in die zin dat het geen oorzaak is, maar een gevolg. Het is niet omdat Pinnacle dominant is dat Kris niet gedaan kan krijgen wat ze wil. Het is omdat Kris niet gedaan kan krijgen wat ze wil dat Pinnacle wegkomt met dominant gedrag.

14. Flash wil niet op de trailer. De eerste keer was toen ze op wedstrijd gingen, maar toen liet hij zich nog op de trailer lokken met wat voer. Bij het terugkeren hebben ze hem er uiteindelijk met twee man en een longe in moeten trekken. Nu steigert hij al als hij nog maar een trailer ziet.

Herken je de gelijkenissen met 6. Pietra en Ben?

Lees nu: het trainingsplan. Hoe zou je bovenstaande situaties oplossen?